Besloten vergaderingen, welsprekendheid en onze identiteit

demostheness.jpg

Al een twintigtal jaren geleden bezocht ik voor het eerst een bijeenkomst van de vrijmetselaars in Kampen. Ik was daarvoor uitgenodigd door het bestuur van de vereniging en mocht me ” vergapen”  aan de bijeenkomst.

Een bijeenkomst die in alle beslotenheid plaatsvond en inderdaad, beslotenheid kan een gunstige uitwerking hebben op mensen. Het leidt tot inkeer en bespiegeling en in onze overdreven uitgelaten wereld is dat heel heilzaam. In dat verband is het opvallend dat veel mensen denken dat introvertie “slecht”  is en extravertie ” goed”. In werkelijkheid valt dat onderscheid niet te maken. Het evenwicht tussen de twee is verreweg het beste voor een gelukkig en gezond leven. Althans daarvoor zijn aanwijzingen.

Beslotenheid kan dus heel prettig zijn voor de individuele ontwikkeling. Heel anders is het als een gemeenteraad steeds vaker in beslotenheid gaat vergaderen. De debatten behelzen immers zaken die de hele gemeenschap aangaan. Natuurlijk, als er feiten over personen op tafel komen die beter niet aan de openbaarheid kunnen worden prijsgegeven, dan kan een besloten vergadering een uitkomst zijn. Misschien komen er ook onderwerpen ter sprake die de gemeente zouden kunnen schaden en ook die kunnen beter verborgen blijven. Maar stuk voor stuk zijn de onderwerpen geen eigendom van de gemeenteraad. De raad heeft ze slechts in beheer.

En toch is een besloten vergadering in zulke gevallen verre van noodzakelijk. Veel is afhankelijk van de welsprekendheid van de deelnemers. Wie goed kan spreken en debatteren, is in staat zaken te benoemen zonder ze te noemen. Nu zou je mogen verwachten dat raadsleden een grote bespraaktheid hebben maar niets is minder waar. Voor veel raadsleden valt het niet mee een debat te voeren in de raad en veelal laten zij het halverwege de discussie ook afweten.

De oude Griekse welsprekendheid komt nog een enkele keer voor. Ze heeft te maken met een gedegen kennis van de Nederlandse taal, zoals spreekwoorden en zegswijzen. Het is daarbij ook van belang dat sprekers de betekenis daarvan goed kennen. In de praktijk is het daarmee slecht gesteld en komt men niet verder dan het afvangen van vliegen door humoristisch te zijn.

Kortgeleden hoorde ik een raadslid een proeve van welsprekendheid geven. Hij vond dat een van zijn collega’s niet goed geluisterd had en maar wat raaskalde. Daarop sprak hij de woorden ” Als uw oren zo groot waren als uw mond, had u mij gehoord.” Prachtig!

Het komt spaarzaam voor en ik vrees dan ook dat besloten vergaderingen het gebrek aan welsprekendheid moeten toedekken. Veel raadsleden durven zich niet volledig te laten gaan als de pers erbij is, bang om verkeerd geciteerd te worden, of ” goed maar ongewenst”. Dat is jammer want juist het imago van de raad lijdt onder beslotenheid en gek genoeg is het die raadsleden nu juist om het imago te doen. Politiek is dezer dagen meer een zaak van imago dan van ideaal. Onze identiteit is dat we bang zijn voor imagoverlies. De schijn moet camoufleren wat we zijn: zonder idealen.

Juist dat imago lijdt schade door beslotenheid. Pers en burgers krijgen het gevoel buitengesloten te worden. Zij gaan denken dat de raad wel iets te verbergen zal hebben. Dat hoeft niet zo te zijn maar dat is dan ook het kenmerk van imago. Het imago is wat je lijkt te zijn maar wat niet gedekt hoeft te worden door de waarheid. Het is de chauffeur van de Maybach die achteloos uitstapt alsof hij zijn ” wagentje even parkeert”. Nee, besloten vergaderingen moeten voorkomen worden. Leve de welsprekendheid!

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

Service

www.users.skynet.be/Dialogos

www.citaten.net

www.demosthenes.nl

www.spiritualiteit.blog.nl/goden-en-godinnen

www.hetkanwel.net

www.nl.express.be

Advertenties

Onze identiteit (2) of “De Nederlander als Uebermensch”

mokio_duim.gif

Reinhardt Wulff was een tienjarige jongen uit het Duitse plaatsje Leer, niet zover van Winschoten. Toen ik in deze Groninger stad woonde heb ik hem ontmoet, op school. Het was 1955. In de grensstreek keken we meer ontgoocheld dan smerig naar de `mof`.

Ik heb vaak aan hem moeten denken als weer één of andere Nederlandse grapjas één van die `hilarische` grapjes over Duitsers maakte zoals  `Wat is de overeenkomst tussen een krokodil en een Duitser? Ze hebben allebei een grote bek.` De frustratie droop er vanaf en de wijsheid was ver te zoeken. Ja, dat krijg je…

Ik heb nooit gevonden dat Reinhardt een grote `bek` had maar ik heb wel goed begrepen dat hij op school en in de omgang met anderen zich steeds weer moest excuseren voor het feit dat hij Duitser was. Op school leerde hij de wandaden van zijn voorouders kennen en in het buitenland gold hij jarenlang als zondenbok voor alles… De `mof` had het gedaan.

Ik weet zeker dat het Naziregiem en zijn gruwelen een stempel hebben gezet op de identiteit van Reinhardt en zijn  leeftijdsgenoten. Toen ik later Rolf ontmoette, die in 1945 uit Leipzig vluchtte op de arm van zijn moeder terwijl zijn vader in een kamp in Marokko zat, bleek ik het goed gezien te hebben.

Onze identiteit is afhankelijk van goede en slechte zaken en vooral van de manier waarop we ermee omgaan, de eerlijkheid die we betonen. De laatste jaren zijn we daar niet zo goed in. Nog maar een paar jaar geleden besloot een malloot van een fabrikant de lekkernij `negerzoenen` een andere naam te geven terwijl ze alleen maar bruin en lekker waren en zijn. En zou de zoen van een neger niet lekker kunnen zijn? We bakken nog steeds Jodenkoeken maar in hoeverre is dat antisemietisch? En een paar jaar geleden richtten we een monument voor de slavernij op? Hoezo? Zijn we er zo trots op? Nee, we schamen ons ervoor alsof we de slavernij hebben uitgevonden op het Rokin. We schamen ons ook voor de kleur van Zwarte Pieten omdat we vergeten zijn wat daar de betekenis van is en alsof een blanke mythologische figuur met zwarte knechten een symbool is voor discriminatie. Hoe gestoord moet je zijn om dat te bedenken?

Langzaamaan zijn we bezig geweest onze eigen identiteit kapot te schoppen en in een verkeerd daglicht te stellen. Dat allemaal ten bate van ons imago: gidsland op het gebied van de mensenrechten, multicultiliefhebbers en kampioenen van de onafhankelijkheid. Dat laatste heeft ons geleid tot een onvoorstelbaar gesmeer, gedraai en gewroet met de Antillen. Ons blazoen moest blank worden. Wij moesten een toonbeeld van de “ideale mensch” worden. ten diepste is dat pas schandalig. Jezelf voorstellen als een volk dat niet schandalig handelt zoals andere volkeren. Een volk dat beter is dan alle andere! Als er ergens slavernij heeft bestaan en nog bestaat, dan is het wel in Afrika. Heeft Zimbabwe ook een monument voor de slavernij en Nigeria?

Discriminatie komt onder alle volkeren voor. Nederlanders hoeven niet als voorbeeld door het stof te kruipen. We zijn net zo zlecht en goed als andere delen van het menselijk ras. Nederlanders zijn geen morele Ubermensch maar ons imago wil wel die indruk wekken. Wij maken geen fouten en als we ze maken, dan wissen we ze uit met een monumentje of een naamsverandering. Onze zonden zijn afgewassen. Leve Calvijn!

Dat kapotschoppen van de eigen identiteit geeft ons een absurde visie op andermans identiteit. Die moet natuurlijk ook kapot. De vreemdeling moet zich aanpassen door zijn kleding weg te gooien en zijn heilige boeken te verscheuren of te verbranden.  

De moedige, ondernemende maar ook door de nood gedwongen en bij tijd en wijle zeer brute Hollander is vervangen door een onfeilbare betweter die nog maar één ding heeft behouden uit het leven van zijn voorouders, die nog maar één element van zijn identiteit durft te laten zien: de behendigheid om anderen geld afhandig te maken. Daar gaan we nog prat op ook door te zeggen hoeveel uur we wel werken per week en… wat een sukkels de mensen zijn in landen waar niet zo “hard” wordt gewerkt. Druk, druk, druk en een blank hartje. Ja, die bruutheid hebben we wel overgehouden.

Dat gedrag is de vrucht van een onverwerkt verleden, een fase die Reinhardt en Rolf al lang achter zich hebben gelaten. De “mof” weet dat hij niet beter of slechter is dan anderen maar dat hij zijn best moet doen een goed leven te leiden.

Het lijkt mij dat we onze identiteit terugvinden  als we ons niet meer schamen maar als we de voorbeelden uit het verleden zien als voorbeelden, ten goede of ten kwade.  En dat goede imago? Dat komt dan vanzelf. 

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Service

www.rijksmuseum.nl

www.gast.filosofie.be

www.drcwww.uvt.nl

www.dannymekic.nl

www.users.skynet.be

www.mythologie.wordpress.com

Bedrog en Beerenburg

lammetje.jpg

Kommer Sybenga schrikt op als ik zijn woonkamer binnenkom. Hij is net de horizontale stand van zijn relaxfauteuil aan het uitproberen en zoiets doet hij liever zonder publiek. `Aha, bent u daar al, op dit vroege uur?` vraagt hij om zichzelf een houding te geven. `Ik neem aan dat u om te beginnen liever capuccino wilt dan Beerenburg? Mij maakt het niet uit. Ik drink alles door elkaar, de hele dag door. Zelfs karnemelk.´

Zijn ogen twinkelen van zelfspot maar de stand van zijn wenkbrauwen wijst op ernst. `Ik meen het`, hij rekt een stuk van de huis van zijn rechter arm op. `Kijk maar, karnemelk is goed voor je huid. Vooral als hij uit Friesland komt.` Ik geloof hem graag en laat hem nog even met zijn stoel stoeien terwijl ik bevestig dat ik graag capuccino lust. Na wat gehannes heeft de oude, wijze politicus de rugleuning van zijn stoel weer rechtovereind. `Teveel knoppen`, glimlacht hij. Het is voor het eerst dat ik enige verlegenheid in zijn ogen bespeur.

`Bedrog`, begint hij terwijl hij zijn capuccino tot koud wordens toe roert. `Ja, hoe zal ik het zeggen`, even staart hij naar de koffie alsof hij toch liever een Beerenburg had gehad en dan lijkt hij zich iets te herinneren. Van het tafeltje naast zijn stoel pakt hij zijn Friesche pijp en uit een zeemleren zakje begint hij die met tabak te vullen. `Bedrog, jongeman, is een veel gehoord woord in de politiek. Kiezersbedrog, bedrog van bondgenoten, en bedrog van het publiek. Ik heb er ook mee te maken gehad. Kijk, zelden gaat het om echt bedrog. Haast niemand weet dat alleen een dictator precies helemaal kan doen wat hij vantevoren heeft beloofd. En zelfs, dan nog… Je hebt bij alles wat je doet te maken met anderen, anderen die vooral bezig zijn blokkades op te werpen voor alles wat je wilt. Als er één ding is waarin mensen goed zijn, dan is het tegenwerking. Als je eigen ideeën uit de mond van de andere partij komen, dan zijn ze volslagen onuitvoerbaar`, snap je wat ik bedoel?`

`Maar ik dacht altijd dat een politicus in zo´n geval zei dat de tegenpartij zijn ideeën had overgenomen?´ werp ik tegen. Kommer steekt zijn pijp aan en blaast een paar grote rookwolken voor zich uit. Een rookgordijn waarachter zijn gezichtsuitdrukking nauwelijks is te zien. `Je moet de taal der politiek leren verstaan, jongen. Je bent toch politiek journalist?`Zij stem lijkt nu zelfs een beetje geërgerd te klinken maar als de rookwolken optrekken  is van die ergernis op zijn gezicht niets meer te zien. `Als een politicus zegt dat de tegenpartij zijn idee heeft overgenomen, dan ziet hij kans er verbeteringen in aan te brengen. Het is verdomd vervelend als de tegenpartij met jouw paradepaardjes beginnen te draven. Dat kan je alleen  tegengaan door ze zelf tot galop aan te zetten. Je gaat dus opnoemen wat je aan de voorstellen van de tegnstander mist, zelfs als je daaraan vantevoren nooit had gedacht.`

De oude, wijze politicus krijgt nu een ironische trek op zijn gezicht. `Dat heet bijsturen. Je gebruikt de voorstellen van de tegenpartij om een wetswijziging door te drijven die beter is dan je eigen idee. Daarbij moet je er voor zorgen dat je aan het publiek goed duidelijk maakt dat jij voor verbeteringen hebt gezorgd. Ja, ja, je dacht zeker dat politiek alleen maar een beetje uit slappe praatjes bestond. Nou, helemaal niet hoor. Het is gewoon hard werken en vooral masseren. En kijk, als je erin bent geslaagd om jezelf te presenteren als kampioen van het voorstel, dan krijgt de tegenstander te horen dat hij de kiezers heeft bedrogen. Hij had er voor zijn partij best méér uit kunnen halen.` Kommer lijkt heel tevreden over die analyse. Hij inhaleert twee keer na elkaar en blaast zelfs kringen in de lucht.

Een beetje beteuterd zit ik wel voor me uit te staren. `Maar dan gaat het niet om bedrog maar om onhandigheid`, mijn woorden komen er wat traag en twijfelend uit. Kommer knipoogt. `Ik denk dat je zolangzamerhand rijp begint te worden voor een post als premier`, grijnst hij. `Nog een capuccino?` die vraag komt er aanmerkelijk trager uit dan het“nog een Beerenburg?` van gisteren maar ik besluit toch `ja` te zeggen. `Kijk nu eens naar onze Jan Peter´, vervolgt hij nadat hij de order heeft doorgegeven aan `de keuken`. ´Bijna was het misgegaan met dat hele Irakverhaal. Bijna had hij ten overstaan van het hele volk moeten toegeven dat hij uit gretigheid maar al te graag Bush´zijn lariekoek heeft geloofd. Echt, het was niets dan jeugdige gretigheid en goedgelovigheid.`Kommer krijgt er pretoogjes bij.

`Hoe handig heeft die man nu de pionnen geschoven? Zodra de uitslag van de laatste parlementsverkiezingen duidelijk was, zag hij in dat het kabinet moest gaan bestaan uit CDA, CU en PvdA. Vooral die laatste. Met de sociaaldemocraten binnenboord, zou hij een vervelend onderzoek naar zijn onbenullige gedrag rond Irak kunnen voorkomen. En hij had gelijk. Meteen kwam de PvdA als ongeloofwaardig in het beklaagdenbankje terecht. Voor de lieve vrede kiest de partij ervoor om tegen zo´n onderzoek te stemmen terwijl ze daar eerst volmondig op heeft aangedrongen. Dat is geen bedrog. Het is onhandigheid en gretigheid, eigenschappen die voor een politicus niet passen. Eigenschappen die de politicus in de weg zitten bij zijn pogingen om zijn beloften na te komen (Kommer spreekt altijd alléén over manlijke politici, de rest vindt hij onzin. Het zij zo). Eigenlijk hoef je als tegenstander alleen maar die eigenschappen op te wekken, dan weet je zeker dat de tegenpartij de mist ingaat en dat geeft je de kans om de buit binnen te halen, vriendelijker gezegd `je beloften na te komen`.

De pijp is uit en het verhaal ook. Kommer staat op en de rugleuning klapt nu helemaal in verticale stand. `Het is mooi om politicus te zijn maar wie eerlijk is tegenover zichzelf, vindt het nog mooier om oud-politicus te zijn`, hij glimlacht deze ochtend op een manier die ik niet helemaal vertrouw. `Tot morgen, jongeman“, hij steekt mij ferm en fors de hand toe.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

https://politiek.wordpress.com

 

Service

www.schoolplaten.nl

www.lichaamstaal.nl

www.eerlijkuden.nl

www.personeelslog.nl

kathalijnebuitenweg.hyves.nl

vrouw.blog.nl

Rechts, links en Beerenburg

image006.jpg

“Wie niet kan laveren, moet niet in de politiek gaan”, Kommer Sybenga, de oude en wijze politicus, zakt onderuit in zijn relaxfauteuil met hocker en sabbelt aan zijn Friesche pijp. Hij weet waar hij over praat want in zijn vrijetijd, tegenwoordig bijna altijd, is Kommer een verwoed zeiler. Hij heeft kanalen, rivieren, meren en zeeën en zelfs de oceaan bezeild en elke keer weer kwam hij met man en muis gezond thuis.

Het valt mij op hoe de relaxfauteuil vloekt bij de rest van het interieur. De beige-bruin gestuukte muren, de witte schouw met eikenhouten lijst, de zware, bruine Friese stoeltjesklok en dan is er ineens de diarreekleurige relaxfauteuil. Kommer moet de verwondering in mijn ogen hebben opgemerkt. “Ik kon hem in geen andere kleur krijgen”, zucht hij. “Hoewel het ding me een godsvermogen heeft gekost. Alles is elektrisch, weet je. Er zit zelfs een automatisch massagebedrijf in zitting en rugleuning. Toch  ben ik wel eens bang dat als ik in deze stoel een hartaanval krijg, dat het ding me automatisch voorover eruit zal kieperen. Hij zit lekker maar hij houdt niet van me. Soit.”

Inderdaad, daarover zouden we het niet hebben. Ik ben deze keer met mijn blocnote bij de éminence grise van de Nederlandse politiek binnengevallen om over links en rechts te spreken. “Laveren`, herhaal ik. `Als een stuurman naast God?` Kommer barst in een onbedaarlijke maar door het pijproken aangevreten lach uit. `Kijk, dat is nu rechts`, zegt hij eindelijk. `Alles altijd koppelen aan wat het meest voor de hand ligt.`

`Laveren is een activiteit waarbij je links en rechts nodig hebt`, gaat hij verder. `Vooral bij tegenwind kom je er het beste mee vooruit al moet je goed opletten hoe ver je van de middenlijn afblijft. En`, laat hij daar nadrukkelijk op volgen. `Die middenlijn heeft niets te maken met een zogenaamd politiek midden. De middenlijn is de rode draad die jou als politicus (het woord `politica`ligt Kommer wat minder gemakkelijk in de mond, wat ik dan weer als rechts beschouw) op het juiste spoor houdt. De middenlijn bepaalt wat acceptabel is en wat niet en hoever je het evenwicht mag verstoren. Van jezelf.` Hij lurkt borrelend aan zijn pijp en stampt de tabak nog eens aan.

`Zin in een glaasje Beerenburg?` Ik ben geen liefhebber van het spul maar als Kommer je zoiets aanbiedt, kun je het niet weigeren. Je zou de man tot in het diepste van zijn Friese ziel treffen. Hij schenkt het roodbruine vocht haast liefdevol in en drukt de kurk met een absolutistisch gebaar op het kruikje. `Die moet goed  dicht zijn, anders gaat het aroma verloren`, lacht hij terwijl hij de pijp van zijn linker naar zijn rechter mondhoek beweegt. 

`Links is `zorg` voor de mensen en zien dat niemand verloren gaat of buiten blijft staan. `Rechts is handhaven van goede, oude gebruiken en gewoonten. `Links` is openstaan voor nieuwe mogelijkheden omdat je denkt dat de wereld er beter van zal worden. `Rechts` is het afkeuren van nieuwigheid omdat je bang bent dat de wereld verloedert. `Links` is welzijn, `rechts` is welvaart. `Links` is `letten op de behoeften van de individu zodat iedereen tot zijn recht komt. `Rechts` is initiatief nemen om er beter van te worden en te zorgen dat je gezin het goed heeft. `Links` is buiten op straat, `rechts` is lekker thuis bij de open haard`.

Kommer kijkt nu even zwijgend en nadenkend voor zich uit terwijl hij ziet dat zijn pijp uitgaat maar hij steekt hem niet opnieuw aan. “Links` en `rechts` hebben elkaar nodig. Het zijn twee paarden die de wagen van je leven vooruittrekken. `Midden` is niks. `Midden loopt in het tweespan niets, er bestaat evenwicht maar er gaat geen kracht van uit`, gaat hij verder. `Midden` is onverschilligheid omdat door de onbewegelijkheid niets er meer toe doet. Stuurmanskunst drijft je van links naar rechts en weer terug, steeds door het midden maar daar verblijf je maar heel kort. Bijna steeds ben je aan één van beide zijden van `midden`. Praat me dus niet van het politieke midden. Dat is dood en het absolute niets.` Nijdig stanpt hij nog een keer zijn uitgebrande pijp aan. `Praat me niet van het midden`, zegt hij nog een keer. Dan kijkt hij of hij zich bedenkt. `Alleen…het werkelijke politieke midden ligt in je zelf. Zoek het op en houd het vast, gewoon om overeind te blijven.`

Hij leunt nu achterover in zijn stoel en laat de rugleuning wat verder naar achteren zakken. `Nog een Beerenburg?` en ik stem opnieuw in. `Weet je, als een vrouw haar armen om je nek slaat dan raken haar handen elkaar achter je. De linker en de rechter hand en hoe steviger ze elkaar vastpakken, des te beter voel jij je.` Hij heeft zijn pijp opnieuw aangestoken en blaast een eerste onbeholpen wolkje uit. Daarmee geeft hij mij de tijd om over zijn woorden na te denken. Niet veel trouwens want ik moet het allemaal nog opschrijven ook. `Links en rechts, het is allemaal niet principieel, het is niet meer dan een verschil in graden ooster- en westerlengte. Wie vergeet op tijd over stag te gaan, valt van de aardbol af. Die heeft ons niets meer te zeggen. En daarbij wilde ik het graag laten, jongeman.`

Die laatste woorden van Kommer zijn kenmerkend voor hem. Ik ben 61.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

https://politiek.wordpress.com

 

Service

www.fertiliteit.info

www.tamaraengert.wordpress.com

www.red-star.nl

www.digischool.nl

www.intensievemenshouderij.nl

marbel.info

www.denieuwereporter.nl

`

Knus, snus en de koddebeier

veldwachter.jpg

Nooit heb ik er één meegemaakt maar de grootvader van mijn vrouw was één van de  onbezoldigde veldwachters die ons land ooit rijk was. Hij hield het dorp waar hij woonde goed in de gaten en spaarde de appeltjesgappende en vuurtjes stokende dorpsjeugd niet. Eéns in de week zat hij bij meneer burgemeester aan het bureau om de stand van zaken rond orde en rust in het dorp door te nemen. Het leuke van de veldwachter was dat iedereen hem kende.

Hij dronk koffie bij Marie, ging op de thee bij Jannes en tussendoor nuttigde hij het warme eten netjes bij moeder de vrouw thuis. Onderweg sprak hij met de postbode, de straatveger en de veearts en iedereen wist “als er stront aan de knikker is, moet je bij hem zijn”. Het contact tussen burger en gezag was van een natuurlijk, speels karakter. Sterker nog, de burgemeester moest zich snor, baard, hoge hoed, pandjesjas en vestzakhorloge aanschaffen om enige afstand tot het gewone gepeupel te scheppen.

Tegenwoordig heeft in mijn gemeente de wijkagent zijn intrede gedaan. Dat was hard nodig want in de roes van de efficiencyvergroting zijn scholen tot  leerfabrieken uitgegroeid en politiekorpsen tot regionale veiligheidslegers. Efficiënt. Nou ja, dat is nog maar de vraag want de tijd die agenten verliezen met het zoeken van de weg in een plaats die ze niet kennen, werd vroeger gebruikt aan doelmatige surveillances. Maar daarvoor hebben ze toch een routeplanner? Ach ja, elektronica. Zucht, het blijft tobben hè?

De wijkagent moet daarom het contact tussen burger en politie gemakkelijker maken en het vertrouwen versterken. Nu zijn dat twee dingen die je in de goede volgorde moet zeggen. Om goed contact te hebben, moet er eerst vertrouwen zijn. Als het vertrouwen er is, kun je zelfs aan een draagvlak gaan denken. In het geval van de onbezoldigde veldwachter was dat vertrouwen er al. Elke dorpeling wist precies wie de veldwachter was en wat je aan hem had. Bij de wijkagent ligt dat wat anders. Hij heeft om te beginnen niet te maken met 500 maar met 10.000 burgers. Tienduizend burgers die hij allemaal moet kennen en die hem allemaal moeten kennen. Daarbij komt dat hij tijdens zijn surveillances nog eens een afstand van zo’n zes tot tien kilometer tussen de uitersten van zijn gebied moet afleggen. Op de fiets want als automobilist leg je geen contact met burgers.

Iedereen voelt het al aan: de efficiency heeft opgeleverd dat niemand de wijkagent kent en hem of haar ook nooit in de eigen omgeving tegenkomt. Een foldertje door de brievenbus, samen met de reclame van Piet Textiel, dat was alles. Ik vraag me dus af wat nu precies de winst is van deze efficiencyslag. Natuurlijk, de geleerde heren en onderzoekers zullen wel weer komen met een lange reeks van enquêtes en leermomenten maar in werkelijkheid gaat het daarbij natuurlijk alleen om bazelarij. Dat een wijkagent in zo’n groot gebied met zoveel mensen geen contacten tot stand kan brengen, was van te voren al duidelijk.

Het is het zoveelste bewijs van de onzin van de schaalvergroting die efficiency met zich meebrengt. In theorie is het mooi. Verhalen over beschikbaarheid van volle politiehulp, inzetbaarheid van faciliteiten waar het nodig is en dat soort klets. In de praktijk komt het er op neer dat de gemiddelde burger geen agent meer heeft om op persoonlijke wijze tegen te zeuren en dus verliest hij ook op dat gebied het vertrouwen. En met het vertrouwen vliegen contact en draagvlak de deur uit.

Schaalvergroting lijkt een mooie oplossing voor de inzet van onze omvangrijke, technische hulpmiddelen maar het is het niet. Met al oze technische rotzooi zijn we minder goed in  staat de politie haar taak te laten doen dan vroeger. Dat wordt niet opgelost door websites, mobiele telefoons of elektronische netwerksystemen. Dat kan alleen een oplossing vinden in menselijk contact.  

Mensen hebben de neiging om hun leventje in eigen kleine kring op te bouwen. Binnen de Europese Unie wordt de lokale bestuurlijke eenheid, de gemeente, steeds belangrijker. Sommigen gaan het liefst in een dorp wonen omdat ze daar hun buren nog kennen. Anderen wenden zich tot de snus nu het rookverbod door de Europese Commissie ongeveer over heel Europa is uitgevaardigd. Alleen kolencentrales mogen nog roken, vanwege de grootschalige energiebehoefte. De Europese burger zoekt zijn of haar eigen genoegen en verstopt het desnoods onder de bovenlip. “Snus”, een zakje met tabak waarop gesabbeld kan worden zodat je toch nicotine binnenkrijgt. Het mag natuurlijk weer niet van de grootschalige bestuurders in Brussel maar wie kijkt er onder andermans bovenlip? Leve de kleinschaligheid. Doe mij maar knus, snus en de koddebeier. 

Tot sterkte,

 

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

Service

http://www.regelzucht.nl

http://www. johnito.blogspot.com

 http://www.beteronderwijsnederland.nl

http://www.veldwachter-bathmen.nl

Van nozem tot zeikende 55 plusser

10vetku1.jpg

Hoe zat dat ook al weer met Jean Paul Sartre? Hij riep het existentialisme als filosofisch gedachtengoed in het leven en kreeg daarmee massa’s aanhangers. De ‘blousons noirs’ die in de Parijse straten existeerden en daar ook niet zo gek veel meer deden dan existeren. Een soort bewuste comapatiënten. Het existentialisme dreef een flink aantal jongeren tot wanhoop en wat iedere pedagoog weet, gebeurde: wanhopige pubers pleegden zelfmoord. Soms expres op de meest afgrijselijke manier. Sartre is na zijn existentie al vele jaren benoemd tot groot filosoof en schrijver want zelfmoord is je eigen verantwoordelijkheid.

Die gedachte dat alles terug te brengen is tot eigen verantwoordelijkheid paste niet alleen goed in het existentialisme. Ze maakt er een wezenlijk onderdeel van uit. Dat pubers daarmee niet zo goed om kunnen gaan, blijkt nog steeds elke dag. Trouwens, meer gerijpte personen weten veelal ook niet wat ze met die eigen verantwoordelijkheid aanmoeten. Ze leren het thuis niet en ook lang niet altijd op school. Voor de kabinetten van de laatste jaren ligt het eenvoudiger. Iedereen moet gewoon zijn of haar eigen verantoordelijkheid nemen als het goed uitkomt. Op andere momenten bemoei ik, als overheid, me “vet” met andermans leven.

De zinloos rondhangende jeugd uit de vijftiger en begin zestiger jaren stond bekend als “nozems”. Ze “hingen” in de straten, vraten friet en scheurden op hun knetterende brommers zo hard mogelijk heen en weer door de belangrijkste straat van de stad waar ik toen woonde: Almelo. “Grotestraat” heettte die straat heel toepasselijk. Omdat de nozems zich tot op het bot verveelden, sloegen ze ook wel eens een passant in elkaar. Ik ben daar twee keer het slachtoffer van geweest. Maar: de politie was waakzaam.

Dat wilde kortgeleden in elk geval een ex-nozem mij op een ander blog doen geloven. Nozems werden bij tijd en wijle opgepakt en dan kregen ze op hun donder.’Wij ook”, vertelde de ex-hangjongere mij en het leek wel of hij er trots op was. “Tegenwoordig doet de politie niets meer”, snaterde hij verder. “Ze rijdt voorbij en doet of ze niets ziet.” Dat klinkt haast als jaloezie: tegenwoordig mogen die hangjongeren maar doen waar ze zin in hebben. De politie doet er niets aan.”

De ex-nozem vergat, of wist niet, dat in de zeventiger jaren van de vorige eeuw Sociale Academies zijn opgericht waar niet-nozems konden leren voor straat- en jongeren- of opbouwwerker. Het zijn deze sociaal geschoolde mensen die zich intensief met hangjongeren bezighouden. Zij zetten zich in om jongeren tot een productiever en socialer leven te brengen. Dat had je niet in de nozemtijd. Trouwens, is onze ex-nozem beter geworden van al die keren dat hij van de politie op zijn donder kreeg? Ik betwijfel het heel erg als ik zijn teksten lees.

Ik vind wel dat hangjongeren veel te vrijblijvend worden benaderd. Mijn oplossing zou het zijn om ze een taak te geven in hun woonomgeving. Elke leerkracht weet dat vervelende leerlingen bijdraaien als ze verantwoordelijkheid te dragen krijgen . Geef jongeren dus opdracht de trapveldjes te onderhouden, voetbalvelden schoon te houden, rotzooi in de buurt op te ruimen, elke dag een scherp omschreven taak. Niet gedaan?  Dan gaan we in het weekend sloten uitbaggeren en schoonmaken onder begeleiding van strenge mannen en vrouwen.

Hangjongeren zijn namelijk niet van alle tijden. Volgens mij zijn ze de vrucht van de Leerplichtwet, de wetten tegen kinderarbeid en in toenemende mate van verwennerij.  Ze kunnen zichzelf niet goed bezighouden en krijgen geen taak of verantwoordelijkheid toegeschoven die ze best aan zouden kunnen. Vóór de leerplicht en de kinderwetten hadden jongeren geen tijd om te hangen. Ze moesten zich kapotwerken in de fabriek. Dat was niet goed maar hangjongeren had je niet.

En die verwennerij?  Bij mij vier huizen verderop woont een politieman die de helft van de krantenwijk van zijn zoontje loopt. Zoonlief krijgt wel de volledige poen. Waarom? Het rotjoch heeft er geen zin in! Ik zou hem zo’n verschrikkelijke schop onder z’n hol verkopen dat hij nooit meer zou weten of hij ergens zijn in had of niet. Ja, politiemeneer, op jouw manier kweek je lastige jeugd. Hangjongeren hebben we zelf bij elkaar geneukt en daarna verpest.

Nu de ex-nozems zelf “oudere” zijn geworden, voelen ze zich bedreigd en eisen ze streng optreden van de politie die inmiddels de handen vol heeft aan een zin- en nutteloze strijd tegen drugs. Want ja, ook dat vinden de ex-nozems heel hard nodig. Verder moet de grote criminaliteit worden aangepakt, de fraude, overvallen en berovingen of verkrachtingen en natuurlijk regelrechte moord en inbraak. Even zo goed eisen ex-nozems dat de politie hangjongeren oppakt en op hun falie geeft. Ex-nozems eisen nu iets van de politie die ze vroeger vervloekten. Dat doen ze door zich op weblogs te presenteren als negativistische zeikende 55 plussers.

Eigenlijk zijn ze niets veranderd. Ze tooien zich nog steeds met intimiderende namen als “demon” of “bolleke”. Het is echt te bespotttelijk voor woorden dat je je als senior achter zulke termen moet verschuilen. Ze rammen er niet meer op los maar zeiken, eindeloos zeiken omdat ze nooit geleerd hebben naar zichzelf te kijken. Er is een eeuwenoude regel die luidt:  “de oude grijsaard zingt een liedje van verlangen”. Terugkeer naar betere tijden toen de politie de hangjongeren nog op hun falie gaf en op die manier verschrikkelijke zeikerds kweekte. Dat lijkt het ideaal te zijn. 

Ik kan ze verzekeren dat de tijden van weleer nooit weerom komen. De geschiedenis herhaalt zich maar tijden komen nooit terug. Ze zullen echt moeten leren leven met “hangjongeren nieuwe stijl” en, o ja, daaronder bevinden zich inderdaad ook Marokkanen en andere allochtonen.  Ik schreef het al eens eerder: de tijden veranderen maar wij niet.

Hoewel, ik heb een jonge vrouw gekend die de hangjongeren uit haar buurt thuis uitnodigde, ze te eten en te drinken gaf en naar hun verhalen luisterde. Ja, ze ried ze zelfs aan om weer naar school te gaan in plaats van te hangen. Niet bij iedereen had dat succes  maar wel bij een aantal. Helaas is deze goede vriendin van mij overleden maar ze kan als voorbeeld dienen voor al die scheldende ex-nozems die moeten aanzien hoe “hun” land verloedert zonder dat ze er iets tegen doen. Ze doen wat ze gewend waren: hangen, maar dan achter de computer.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

Service 

www.20eeuwennederland.nl

www.rhinegroup.nl/

www.hangjongeren.nl

www.hansvanegdom.nl

www.hetkanwel.net

www.be.gizmodo.com

Tijden veranderen

8_klok-copy.gif

“For the times, they are a changing”, dichtte en zong Bob Dylan eind zestiger jaren van de vorige eeuw. Het verderfelijke tijdperk van vrije seks, lang haar en goede moed. Weg met de zinloze oorlog in Vietnam en zijn napalmbommen op kinderen en weg vooral met de zinloze hebberigheid en inhaligheid. Weg van de tijden waarin alles om geld draaide.

De laatste jaren hebben we meer met Frans Bauer die vraagt of we even tijd voor hem hebben want iedereen heeft het druk, druk, druk …om zijn of haar carrière na te jagen. Vanwege het geld natuurlijk. Ondertussen zitten we tot aan onze nek in twee zinloze oorlogen, Irak en Afghanistan. Tesamen vormen ze een onbegrepen moeras waarin we steeds verder wegzakken. En dan te denken dat ik eind zestiger jaren nog heel vriendelijk met Afghaanse wietboertjes in de buurt van Tarin Kowt om kon gaan.

Vaak heb ik het gevoel dat de tijden wel veranderen maar wij niet. De tijd heeft ons al lang ingehaald en dendert voort terwijl wij als mens in onze ontwikkeling stil zijn blijven staan. Het geloof in geweld is gebleven, de gedachte dat je de hele wereld naar je hand kunt zetten, beheerst ons nog steeds. Dat is ook logisch voor een volk dat eeuwenlang gewend is geweest dat “de wilden” precies deden wat we zeiden.

Ja zeker, “de wilden” dat is in negentiende eeuwse literatuur een uitdrukking die van toepassing is op alle inwoners van Afrika ten zijden van Egypte en Marokko, op Noord- en Zuidamerika voor zover het gaat om mensen van niet-Europese afkomst, op de inwoners van de onbeduidende eilandjes van de Stille Oceaan, Nieuw-Guinea, Australië en Nieuw-Zeeland, India en op een deel van de bewoners van Centraal Azië. Daarmee houdt het dan wel op want de uitdrukking “de wilden” is nooit toegepast op Indonesiërs, Chinezen, Japanners. Nee, daar kregen we een brok in de keel want die mensen bleken een cultuur te hebben opgebouwd. Dat was schrikken!

Het sloeg ook niet op de Arabieren die zo goed waren geweest ons technisch en cultureel erfgoed voor ons te bewaren en te verrijken totdat we het spul weer kwamen ophalen. Tegenwoordig gebruiken sommigen het woord “wilden” wel het liefst voor Arabieren of volkeren die ze daarvan niet kunnen onderscheiden zoals de Afghanen. En dat allemaal vanwege de Islam.

Natuurlijk, de tijden veranderen. Er zijn computers gekomen, massavernieitigingswapens, een terreinwagen voor iedereen en een heel nieuwe indeling van beschaafde volkeren en wilden. Een nieuwe indeling maar nog steeds een indeling. Dat was nu precies hetgene waartegen de liedjes van Bob Dylan waren gericht: het onderscheid en vooral het denken in termen van “wij” en “zij”. Daarom putten we daar geloof, hoop en liefde uit die inmiddels alle drie zijn begraven onder het stof dat de veranderde tijd heeft doen opwaaien met aanslagen en oorlog.

Vanmorgen was de meest volkse krant van Nederland uitgerust met een katern over de stand van zaken rond de emancipatie, het verdwijnen van onderscheid. De bijgeplaatste foto’s wekten bij mij een gevoel van misselijkheid op. Ze drukten niet de verdwijning van onderscheid maar van verschillen uit. Daarin ligt het gezichtsbedrog, lijkt mij. We heffen de verschillen op en zeggen dat het onderscheid is verdwenen. Precies het omgekeerde zou moeten gebeuren, naar mijn idee. Ik zou willen dat het onderscheid verdween terwijl we meer pracht en glans zouden moeten geven aan de verschillen.

Nadat ik me een tijdlang aan het katern had zitten vergapen, ging ik uit met de hond en daarbij passeerde ik drie mannen die druk aan het riool werkten. Eén van hen sprak de anderen toe: “De tijden veranderen”. Geen idee waarom hij dat zei maar het klonk zo’n beetje filosofisch. Toch kwam het anders over dan die zinnen van Bob Dylan. Het geloof kon de man bij het riool me niet geven. Vooral niet toen ik zag hoe hij onaangedaan een benzinemotor startte en deze zichtbaar nodeloos een half uur door liet draaien. We veranderen nooit en de tijd gaat verder.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

 

Service

 

www.bloggen.be

www.sampol.be

www.muiswerk.nl

www.gummbah.nl

De hemel kleurt rood, weer iemand dood

taliban.jpg

Toen ik nog wel eens in Afghanistan kwam, dat is lang geleden, viel mij meteen op dat het land niet leek op Walcheren, de Noord-Oostpolder of het Drielandenpunt. De mensen glimlachten buitengewoon vriendelijk naar me als ik een portie wiet kwam halen en die mocht ik dan bijna zelf uit een veld met klaprozen zoeken. Ja, alles stond door elkaar.  Na vier keer drie dagen onderdak bij een Afghaanse familie in de bergen, krijg je een aardig idee van het denken en doen. En inderdaad, dat was in Kandahar. 

Mij viel ook op dat er wel burgemeesters waren maar ook nog veel machtiger mannen, krijgsheren. Heren die nog nooit van humor hadden gehoord. Onderzoek zou onmiddellijk uitwijzen dat vrouwen er meer gevoel voor hebben. Ergens ver weg, in Kaboel, woonde de koning. Eigenlijk hielden de krijgsheren van het land hem in gijzeling. Zolang de koning regeerde, regeerde de vrede. Vrede waarbij er overigens van tijd tot tijd wel degelijk iemand met doorgesneden keel langs de kant van de weg werd gevonden omdat hij zijn mondje voorbij had gepraat over zijn krijgsheer. Maar goed. Er was vrede en heel veel wiet en opium. Als je bij Kaboel, toen een heerlijke en redelijk mondaine stad, uit het vliegtuig stapte, drong het aroma ervan al je neusgaten binnen. Heerlijk!!!

Jammer is het wel dat Jan Peter en zijn kornuiten nooit eens een joint zijn wezen opsteken. Dan hadden ze ook wat meer begrip gekregen van het land. Dan hadden ze misschien niet in hun zelfgenoegzaamheid gedacht dat Afghanen niets liever willen dan democratie naar Zeeuws model. In plaats daarvan werkte hij liever aan de meditterane stranden aan een verdere ontwikkekling van zijn westerse superioriteitsgevoel.

Natuurlijk, ook de Afghaanse boeren willen rust. Zij zien niet graag hoe hun zorgvuldig geplante stekjes door tanks worden platgewalst. Ook zij willen geen strijders op paarden  die hun klaprozen vertrappen. Nee, rust en een zekere welvaart voor zichzelf en hun gezin. De vraag is, wie die rust moet brengen. Het centrale gezag, buitenlanders? Afghaanse boeren in het zuiden hebben geen enkel gevoel voor hun collega’s in het noorden. Het zal ze een rondzorg zijn wat daar op vijfhonderd of duizen kilometer afstand gebeurt. Hun enige wens is dat ze hun product voor een goede prijs kunnen afzetten en daarbij willen ze niet worden gehinderd door wie dan ook.

Hun krijgsheer beschermt de velden, strijkt een groot deel van de winst op en voert, als het moet, oorlog. Oorlog met andere krijgsheren en vooral ook met vreemdelingen die hun neus steken in zaken die hen niet aangaan. De Russen weten er alles van. Betweters uit het westen bijvoorbeeld die komen “helpen”, zijn haast bij niemand welkom. Er zijn maar heel weinig Afghanen die op die hulp zitten te wachten. Er zijn nog minder Afghanen die iets voelen voor hun “helpers”  die vooral Afghanen doodschieten. Bij de beschietingen in de beluchavallei vallen talloze burgerslachtoffers. Staat er op die kogels en granaten ook “From Holland” zoals bij andere ontwikkelingshulp? Hoe zouden wij het eigenlijk vinden als een half miljoen Chinezen in osn land op die manier huishielden onder het mom “hulp” te bieden?

Weer een militair “overleden”. Ik heb iets tegen die term. In soldatenland heet dat gewoon “gesneuveld”. “Overleden”  klinkt alsof niemand er iets aan kon doen en daarover maak ik me razend. Die superieure blik in de ogen van mannen als Berlijn, Kamp, Balkenende en nu ook Middelkoop. Alsof Nederlandse militairen daar als een soort Moeder Theresa de bevolking aan het helpen zijn. Die schijnheiligheid en krokodillentranen. Het laat mij de vuisten ballen want die soldaten zijn erin geluisd. Hen is wijsgemaakt dat ze als bataljon van het Leger des heils ontwikkelingshulp zouden brengen. Hulp die iedereen daar best wil hebben.Niemand zal ons vanwege die hulp het recht geven hun leven en gewoonten te evranderen. En daarom zullen er meer mannen en ook vrouwen sneuvelen. Om onze naïeveteit en de schandalige en absurde loyaliteit van ongewassen varkentjes die ons land denken te kunnen besturen. Loyaliteit aan Amerikanen die denken dat elk volk wil leven zoals zij: in de poel van racisme, onverbloemd nazisme en onderlinge onverschilligheid.

Kijk, dat was mijn kwaadheid want zoals er goede Duisters waren in het verleden, zo zijn er goede Amerikanen in het heden. Zo zij er ook Amerikaanse moeders die hun zonen nooit terug zullen zien, misleid door schandelijk vooringenomen leiders. Daaraan mag Nederland niet loyaal zijn. Niet loyaal vanuit het diepgewortelde onbegrip over het land Afghanistan. Vandaag hoorde ik een officier zeggen: De Taliban vallen de Baluchavallei aan omdat ze een succes nodig hebben.” Ik dacht dat ik uit mijn vel knapte. Hoe stom kan zo’n man zijn? De Taliban hebben al jaren succes door steeds weeer verliezen toe te brengen aan een “superieure” westerse krijgsmacht in geïsoleerde posities. Zij, de Taliban, tellen hun doden niet maar zegenen ze. Elke veldslag is succes voor de Taliban, of ze nu met grote verliezen eindigt of niet. De Afghanen begrijpen de boodschap: de Taliban zijn er nog!

Soldaten sneuvelen, dat is een beroepsrisico en hun dood is nooit tevergeefs. Dat is ze zeker niet als Nederlanders door hun dood gaan begrijpen dat zij de Afghanen niet kunnen helpen. Afghanen moeten zichzelf helpen totdat zij echt geholpen willen worden. En dan zijn voor die hulp geen soldaten meer nodig. Politici worden afgezet en als het aan mij ligt, gaat de hele hypocriete bende die verantwoordelijk is voor onze”vredesmissies” vandaag nog op eeuwig reces. Het is niet om de doden dat ik huil maar om de levenden.

En zie, de hemel kleurde weer rood en weer ging iemand dood want zij wisten niet wat zij deden…. Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

 

Service

www.infoplease.com

www.nieuwsnieuws.nl

www.blogcatalog.com

www.ariana.nl

www.landenweb.net

www.lcweb2.loc.gov/frd/cs/aftoc.html

Kwabbes van Oerol

equilibrium-2012.jpg

Kwabbes was niet gewoon. Nee helemaal niet. De rode, brede muts met gouden bellen rondom, zijn lange, bruine mantel en de snavelschoenen die daaronder tevoorschijn kwamen, maakten hem tot een opvallende verschijning op het eiland. Maar het was niet alleen zijn uiterlijk dat de aandacht trok. Als hij ’s avonds in het café de uren doorbracht, had hij altijd een grote groep landgenoten om zich heen. Zij luisterden aandachtig naar zijn verhalen.

Soms klonk er een applausje om wat hij zei. De ene keer zei hij het zo mooi en de andere keer zei hij iets dat heel wijs klonk. Dan hadden zijn luisteraars weer iets om weken of maanden over na te denken. Ja, Kwabbes was een geliefde figuur in zijn dorp en niemand wilde een kwaad woord over hem horen.

Toch was niet alles wat Kwabbes deed welgedaan. Hij dwaalde dagelijks langs het strand en jutte wat hij leuk vond. Soms ging hij de duinen in om achter konijnen aan te draven zonder er één te vangen  en een andere keer kon je hem weer languit liggend onder een boom aantreffen. Maar werken? Werken was voor de dommen, als het aan Kwabbes lag. Er was nog nooit iets fatsoenlijks uit zijn handen gekomen.

Maar ja, hij mocht dan leuk zijn, de meisjes willen ook altijd een vent die iets presteert en dat gebeurde ook Kwabbes. Hij ontmoette er één die hij heel leuk vond en dat was wederzijds alleen…die luiheid. Op een dag zei ze tegen hem:”Kwabbes, je moet iets voor me doen. Je moet laten zien dat je kunt werken.” Eerst fronste Kwabbes bij die gedachte zijn wenkbrauwen maar al gauw sprong hij overeind. “Weet je, zei hij, ik kan alles. Ook werken.”

Hij bezwoer zijn vriendin een week lang niet op bezoek te komen en hem zijn gang te laten gaan. “Ik zal je na zes dagen laten zien wat ik heb gepresteerd”, zei hij. “En geloof me, we hebben er allemaal wat aan.”

Zes dagen gingen voorbij. Zes dagen waarin Kwabbes zich opsloot in een grote, lege, houten schuur. Niets was er te horen, doodstil bleef het en iedereen had al gauw zijn vertrouwen verloren maar op de zevende dag gingen de deuren wagenwijd open. Middenin de schuur lag Kwabbes al weer op zijn rug te niksen maar naast hem lag een grote bol. Op die bol groeiden planten, stormden zeeën, floot de wind, krioelden dieren en temidden van dat al  strompelde een wezen op twee poten terwijl het zijn weg zocht. “In zes dagen de aarde rond”, lachte Kwabbes.

“Maar hoe heb je dat gemaakt in zo’n korte tijd?” vroeg zijn vriendin en de anderen vroegen het haar na. “Och, het was niks. Ik heb het gewoon gedaan omdat ik het kon. Kom, vandaag houd ik maar eens rust”.” Hij nam zijn vriendin in de armen en sloot de schuurdeuren.

Het is het sterkste verhaal dat de inwoners van Oerol elkaar nog steeds vertellen. Elk jaar houden ze een wedstrijd om te kijken of er iemand is die een sterker verhaal weet. Tot nog toe is dat niet gelukt.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

Http://politiek.wordpress.com

Niemand verdient respect

ladakh_kloof1.jpg

Soms vind ik het moeilijk om uit te leggen hoe dat nou precies zit met die maatschappelijke kloof. Die afstand tussen de `doctorandussen` en `het volk`. Vanmorgen hoorde ik iets dat mij een mooi voorbeeld lijkt. Een terminale kankerpatiente mag niet naar huis omdat het ziekenhuis nog allemaal onderzoek moet doen. Waarvoor en waarom? Nou, dat werd al gauw duidelijk. Mevrouw had erge buikpijn maar na een onderzoek bleek al gauw dat aan haar longen niets mankeerde en dat werd haar uiterst opgelucht medegedeeld.

Het zal wel aan mij liggen maar mij is de lariekoek van het bovenstaande onderzoek wel duidelijk. De kloof! De zeer geleerde dames en heren hebben ieder contact met de werkelijkheid verloren ern zitten vastgeroest in hun eigen kaders en wtenschappelijke valstrikken. Ik vind het bovendien behoorlijk respectloos om iemand die terminaal is de gang naar huis te weigeren.

Respectloos is ook dat in de Communistische Heilstaat China gevangenen dagelijks tien uur moeten werken en dan elke week een appel krijgen. Respectloos is de stapel apekoppen en toekansnavels die ik gisteren in de krant zag als bewijs van een haperende wetgeving tegen handel in bedreigde diersoorten. 

Nu is respectloosheid iets dat in onze tijd ongeveer gemeengoed is. `Respect moet je verdienen`, is een veel gehoorde uitspraak. Gisteren bracht ook een wethouder met wie ik goede betrekkingen onderhoud dat naar voren. Ik ben het niet met hem eens. Respect is niet iets dat je ontvangt van een ander maar een manier van kijken naar de wereld. Letterlijk vertaald betekent het `omkijkgedrag`en `omkijken naar iemand` doe je ook zonder je af te vragen wat hij of zij voor iemand is, wat hij of zij heeft verdiend. Wat mij betreft geldt dat trouwens voor alle levende wezens.

Anders staat het met `waardering. `Waardering kun je aan iets of iemand hechten vanwege bepaalde kwaliteiten. Je kunt het ook verdienen door je manier van leven of de dingen die je doet. Zelfs door de goede stukken die je schrijft.  Als derde in het rijtje bestaat er ook nog zoiets als `ontzag`. Dat heb je voor iets of iemand waarvan je vermoedt dat de capaciteiten groter zijn dan de jouwe. Nou, dat is al weer een heel brok voor de vroege ochtend.

Toch heeft het veel te maken met de discussie die ik had met voornoemde wethouder. Die had te maken met de fameuze kreet `luisteren naar de burger`. In de afgelopen jaren is dat een stuk gemakkelijker geworden al lijkt het misschien niet zo. In mijn ogen vatten veel bestuurders dat `luisteren` veel te eenzijdig en voor de hand liggend op. Ze bezoeken wijken en instellingen, horen verhalen aan en menen daarna te hebben geluisterd naar de burger. Niets is minder waar.

O zeker, het is goed om burgers op te zoeken maar om echt te luisteren is nog iets anders nodig. De eerste de beste burger in een achterstandswijk heeft namelijk ontzag voor burgemeester en wethouders. Om dat gevoel een beetje te verminderen beginnen ze al gauw met `je` en `jouw`of zetten ze een grote mond op. Soms verzamelen ze alle geleerd klinkende woorden bij elkaar voor het gesprek, of ze nu in de juiste context worden gebruikt of niet. Op die manier hopen ze respect te krijgen van de bestuurder.

Ze wekken de indruk heel goed te weten waarover ze praten hoewel dat meestal maar ten dele zo is.  Bovendien verwachten burgers die met een wethouder spreken, dat er ook direct iets gebeurt. Meneer of mevrouw de wethouder kan dat toch wel even regelen? Dat laatste wijst al op een wereld van verschil in denken. Meneer of mevrouw de wethouder kan `het` helemaal niet even regelen. Omdat het allemaal zolang duurt en uiteindelijk toch verkeerd uitpakt, verdwijnt de waardering voor de wethouder en, nog erger, zelfs het respect.

Luisteren naar de burger houdt dan ook meer in dan een praatje maken. In onze tijd betekent het dat je als bestuurder van tijd tot tijd weblogs afwandelt om te bekijken wat `het volk` met elkaar te bespreken heeft. Daar vind je de emoties en het diepgewortelde wantrouwen of de hoog oplopende wanhoop die in een gesprek niet naar boven komen.

De wethouder met wie ik de discussie had, zag dat niet zitten. `Daar vind ik alleen maar ongenuanceerde onderbuikgevoelens`, was zijn verweer. Nou breekt me de klomp! Moet je als bestuurder dan niet de gevoelens en emoties van `het volk` kennen? Onderbuikgevoelens en gebrek aan nuance. Wat vroeger uitsluitend binnenskamers en in  de kroeg werd besproken, is nu voor iedereen zichtbaar. Daarvan zouden bestuurders meer kennis moeten nemen. Het is de weg om het denken en handelen van `het volk` te gaan begrijpen.

De zeer geleerde wethouder, hij heeft zelfs een doctorstitel,  heeft zijn analytisch vermogen niet voor niets gekregen. Met zijn gevoel voor ratio en nuance kan hij de emotiebrij aan. Daaruit kunnen nog heel mooie, creatieve oplossingen voortkomen. Ik zou het dan ook helemaal niet gek vinden als het college van B en W anderhalf uur per week, 18 minuten per werkdag,  zou uittrekken om weblogs van `het volk` te bestuderen. Bij mij zou dat leiden tot waardering en misschien zelfs tot ontzag.

Tot sterkte,

Kaj Elhorst

https://politiek.wordpress.com

 

Service

www.omnino.nl

www.infeite.nl