Er was eens een volkje
Zo vrij en zo klein
Dat steeds en altijd
Vrij wilde zijn
Het peinsde en piekerde
Debatteerde elke nacht
Totdat het een prachtig plan had bedacht:
” We sjouwen en en werken
Zolang als het gaat
De zwakken, de sterken
Tot ’s avonds heel laat
Ja diep in de nacht
Zijn we nog bezig
Met bouwen en timm’ ren
Met ieder aanwezig.”
Zo togen zij vrolijk en snel aan het werk
Ze vergaten zelfs te gaan naar de kerk
En bouwden een huis, zo sterk en zo mooi
Zodat het nooit vallen kon, een monster ten prooi.
Zij voelden zich veilig achter muur en ook gracht
En eentje hield daaglijks en ’s nachts ook de wacht
Op een midzomeravond, zo warm en zo heet
Slaakte een waker een afgrijs’lijke kreet
Hij brulde en schreeuwde en gilde en riep
Heel hard, omdat verder iedereen sliep
” Een trol, een trol, zo groot als een berg”,
Riep de eenzame waker, de dappere dwerg.
Met grote stappen en dreunend en zwaar
Naderde het domme en suffe gevaar
Plots waren de dwergjes, zo fluks en zo fijn
Klaar wakker en riepen ” Maak dood nu het zwijn”.
Zij schoten hun pijlen en wierpen hun speer
Maar de trol lachte slechts en draafde door als een beer.
Toen riepen de dwergen hun hulp in de nood
Ze schreeuwden ” O Zwarte” die bijstand steeds bood
De lucht was vol gieren, gehuil en gedreun
” De Zwarte” kwam nader met vaart en gekreun
Zij mantel bedekte het hoofd van de trol
En hij riep ” Verander en word nu een drol.”
De volgende dag was er werk voor de sloop
” Weg” riepen de dwergen, ” met die stinkende hoop.”
Tot sterkte
Kaj Elhorst

