
Ooievaar aan de kant van het water,
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
Hij keek al loerend om zich heen
Waarheen die kikker toch verdween
Misschien daar ginds in het riet?
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spiet
En Jan Peter kletste alle eindjes aan elkaar
En Geert zat met zijn handen in zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar
Ooievaar aan de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater,
Hij zuchtte ernstig tot zijn vrouw,
“Wat moet ik nou, wat moet ik nou?”
Zij zei toen “Echt, ik weet het niet”
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spiet
En Wouter zag geen gevaar
En Geert kamde zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar
Ooievaar aan de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
Hij hield de hele dag de wacht
Want heus zo lang duurt wel de jacht
En hoord’niet hoe de kikker lacht
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spacht
En André had zijn zaakjes voor elkaar
En Geert bleekte zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar
Ooievaar aan de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
Hij keek naar links en niet naar rechts
Want links zaten de kikkers slechts
En hij wilde toch weten
Of hij vandaag nog wel zou eten,
Spitter, spetter, spieter, spoet, gespeten
En Alexander was al lang niet meer daar
En Geert knipte zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoet, spaar
Ooievaar langs de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
Hij kreeg nu toch wel erge trek
In zijn lange, levensgrote bek
En dacht “dit is geen grapje”
Ik wil een lekker kikkerbillenhapje”
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spapje
En Femke sprak wel met misbaar
En Geert gaf een luchtje aan zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar
Ooievaar langs de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
Nog één keer kijkt hij in het rond
Maar nergens kikkers die hij vond
Alleen een bosje met wat stro
Dat te eten was een risico
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spo
En Jan vond het allemaal maar raar
En Geert föhnde apetrots zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar
Ooievaar aan de kant van het water
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spater
‘t Is niet dat ik dus werk”lijk klaag
Maar eigenlijk hoor ik thuis toch in Den Haag
Ooivaar hing zijn snavel aan een wilg
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spilg
Daarnaast één been, heel lang en rood,
Het and’re hield hij tot zijn dood.
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spood
En Mark begreep van alles geen sigaar
En Geert smeerde glimmerds in zijn haar
Spitter, spetter, spieter, spoeter, spaar.
Tot sterkte,
Kaj Elhorst
Service
bieslog.vpro.nl
