Gisteren, na afloop van de raadsvergadering, vroeg iemand mij of ik gelovig was. Ja, dan sta je voor het blok. Iemand die gedoopt is of zichzelf bij een geloofsgenootschap heeft aangesloten, heeft het gemakkelijk. Je kunt dan zeggen “ik ben katholiek” of “ik ben moslim”. Dat kan en er is niets op tegen.
Maar ik? Ik ben niet opgevoed en dus ook niet gedoopt want in veel gevallen hoort de doop bij de opvoeding. In de ogen van sommigen ben ik alleen al om die reden een verloren ziel. Soms voel ik me ook wel als zodanig maar het lukt me maar niet om die drempel over te gaan naar zo’n gemeenschap.
Gezellig hoor en maatschappelijk ook heel gunstig. Met de doop krijg je een bedding en een netwerk gratis. Ik heb dat allemaal niet. Alles wat ik heb, heb ik zelf moeten opbouwen. `With me ain hands`.
Nou ja, zelf, je moet ook een duwtje en een steuntje in de rug krijgen, geluk hebben en ergens in het potje passen. Dat zijn allemaal zaken die je niet zelf doet. Wie dan wel? Ja, dat is de grote vraag. Hoewel…
Ik ben er wel een beetje uit. Ik heb geleerd te geloven in dat wat ongelooflijk is, wat onmogelijk lijkt en onhaalbaar. Daar is durf voor nodig en moed want je gaat vertrouwen in `iets` dat je niet in de hand hebt. Je kunt dan geen controlefreak meer zijn, je geeft toe dat `alles` besturen de grootst mogelijke onmogelijkheid is.
Ik ben dus gaan geloven in het onmogelijke maar ik zou dat liever geen God willen noemen. De Taoísten hebben in dat opzicht een wijs spreekwoord, `wie Tao noemt, kent Tao niet`. Ook daaraan zijn beperkingen want in die spreuk is Tao al twee keer genoemd.
Een vrije geest maar geen dolende ziel. Zo zie ik mijzelf het liefste. Een vrije geest die na ampele overwegingen heeft erkend dat religie onmisbaar is. De kerk kun je vaak missen als kiespijn. Maar…religie, verbinding, is er niet alleen met een hogere macht, het slaat ook op de band tussen mensen onderling.
Ik bevind mij op het snijvlak van Boeddhisme en katholicisme aangezien het Boeddhistische streven niet wordt aangewakkerd door de durf van het geloof in het onzienbare. Die is er in het katholicisme wel. De symboliek van beide vind ik prachtig. De wonderen, onbevlekte ontvangenis, opstanding uit de dood, het eeuwigdurende leven en de zelfoverwinning die leidt tot een hoger `ik`, de opoffering in het kader van het lot, ze zijn allemaal te mooi om waar te zijn en dus de moeite van een geloof waard. In beide herken ik het geloof dat er geen weg is naar de vrede maar dat `vrede de weg is`. En juist daarom blijf ik messcherp op het genoemde snijvlak voortgaan.
Tot sterkte,
Kaj Elhorst
http://politiek.wordpress.com











